Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Het Hilversums kanaal is een waterlichaam dat bestaat uit het Hilversums kanaal en het gebied "“Achter de kerk”" dat in open verbinding staat met het kanaal. Het waterlichaam is onderdeel van de Kortenhoefse plassen. Het kanaal functioneert als belangrijke aan- en afvoerroute voor de Kortenhoefse plassen, het Wijde blik, ’t Hol en een deel van Hilversum. Het gebied is ontstaan als gevolg van veenwinning in het verleden en ligt aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug. Samen met het waterlichaam Wijde Blik vormen de Kortenhoefse plassen de polder Kortenhoef. Het gebied is belangrijk voor specifieke watervegetaties die bij laagveenplassen horen en voor watervogels. In het oosten van het gebied komt op sommige plaatsen nog kwelwater vanuit de Utrechtse Heuvelrug aan de oppervlakte, waar het gebied een belangrijk deel van zijn ecologische waarde aan ontleent. Deze kwelstroom is in de afgelopen jaren in het gebied sterk afgenomen door verschillende oorzaken, onder andere drinkwaterwinning op de heuvelrug, de aanleg van havens in Hilversum, verharding en bebossing op de Heuvelrug en het wegtrekken van de kwelstroom naar de naastgelegen diepe Horstermeerpolder. Het Hilversums kanaal voert in de zomer Vechtwater en afstromend water uit Hilversum door naar het Wijde Blik, ’t Hol en de Kortenhoefse plassen. Het wateroverschot uit deze gebieden en Hilversum wordt via het kanaal naar de Vecht gebracht.
Hilversums Kanaal (NL11_6_8) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 73 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3230-EAG-5 (Polder Kortenhoef, Hilversumsch Kanaal plas/dras), 3230-EAG-6 (Polder Kortenhoef, Hilversumsch Kanaal)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Hilversum en Wijdemeren. Het waterlichaam Hilversums Kanaal heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor matig grote, ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op het uitbreiden van het areaal ‘kranswierwateren’ en ‘meren met krabbenscheer en fonteinkruiden’ en uitbreiden van het rietareaal, ten behoeve van (moeras- en water)vogels.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Hilversums Kanaal (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Macrofauna.

In de het Hilversums kanaal staan weinig waterplanten, maar de ecologische kwaliteit is hier stabiel. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.64 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.23 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.14 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Fosfor gaat achteruit tussen 2015 en 2019, maar het doorzicht neemt toe (vooruitgang).

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de onvoldoende kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het water, met name te veel fosfor (P). De belangrijkste bron van de plassen is het water dat AGV inlaat vanuit de Vecht en Hilversum, om het gehele watersysteem van Kortenhoef op het juiste peil te houden. Een tweede belangrijke bron van het Hilversums Kanaal is het (kwel)water vanuit het oosten: Haven van Hilversum en de woonwijken die afwateren op het Hilversums kanaal. Mogelijk speelt vraat door ganzen en de uitheemse rivierkreeften ook een rol bij de achteruitgang van de biodiversiteit in de Kortenhoefse plassen.

Maatregelen op hoofdlijnen
Veel maatregelen zijn gericht op het verminderen van de fosfaatbelasting, bijvoorbeeld het verminderen van de fosforbelasting van water uit Hilversum. Natuurmonumenten neemt beheermaatregelen om fosfaatuitspoeling vanaf het land te verminderen (bijvoorbeeld stoppen met bemesten, afplaggen bovengrond). Daarnaast zijn er ook maatregelen om het lichtklimaat te verbeteren (lokaal bomen weghalen) en om het gebied beter in te richten (aanleg rietoevers, doorvoeren van kwelwater naar plekken waar het gewenst is).

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Algenbloeien komen voor in het hele gebied. Het water is op veel plaatsen troebel. De nalevering van fosfor uit de waterbodem is hoog. Bronnen van fosfor zijn aanvoerwater vanuit de Vecht en afstromend water uit de woonwijk Kerkelanden. De geplande aanleg van waterwoningen in Kortenhoef bij Groenewoud is een risico voor een verhoogde fosforbelasting op de polder en plassen (geen afwatering via de plassen en voldoende waterdiepte is essentieel).
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. Algen zijn hier de belangrijkste oorzaak van.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Schaduw door bomen, het type beschoeiing in combinatie met een zeer beperkt ondiep areaal beperkt de ontwikkeling van emerse vegetatie. Rietoevers zijn weliswaar plaatselijk goed ontwikkeld, maar staan wel onder druk door ganzenvraat.
esficon Verspreiding vormt geen probleem omdat de doelsoorten in de omgeving aanwezig zijn en er ook kunnen komen. Toch is gemaal en sluis het Hemeltje als een van de prioritaire knelpunten aangewezen. Deze is vispasseerbaar en visveilig gemaakt.
esficon Verwijdering is een probleem omdat vraat door ganzen een knelpunt vormt voor de ontwikkeling van oevervegetatie. In de Kortenhoefse plassen is de ontwikkeling van waterriet van groot belang voor N2000 vogeldoelstellingen (specifiek voor Grote Karekiet en Woudaap). Ganzen zijn een probleem en dit is te zien door vraatsporen. Meerkoeten en Amerikaanse rivierkreeften zitten herstel mogelijk ook in de weg.
esficon Organische belasting vormt mogelijk een probleem. Er zijn riooloverstorten die lozen op het waterlichaam, maar er staan niet bijzonder veel bomen langs de oever.
esficon Toxiciteit vormt een probleem. In havens en nabij de vuilstort is een hoge toxische druk gemeten (SIMONI > 1).

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en .

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Beperken van de externe fosfaatbelasting vanuit Kerkelanden in het Hilversums kanaal Dit is een gefaseerde maatregel uit SGBP-II. De maatregel wordt uitgevoerd in het waterlichaam het Hilversums kanaal, maar heeft ook effect op de Wijde Blik. Metingen van debieten en concentraties moeten uitwijzen wat de bron van fosfaat is en hoe deze gedefosfateerd kan worden (Kerkelanden en/of de Haven van Hilversum). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Natuurmonumenten Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Riooloverstort in ‘achter de Kerk’ saneren / overstortfrequentie verlagen Deze maatregel is onderdeel van uitvoering van het Gemeentelijk RioleringsPlan van gemeente Wijdemeren. Gemeente Wijdemeren 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Beperken fosfaatbelasting Hilversums Kanaal Deze maatregel wordt uitgevoerd in waterlichaam Hilversums kanaal, maar heeft ook effect voor waterlichaam Wijde Blik. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Verbeteren waterkwaliteit (kwel en natuurlijke zuivering) bovenstrooms gebied Het optimaal benutten van kwelwater door afplaggen, verlanding in sloten, het graven van petgaten en het doorvoeren van kwelwater levert een bijdrage aan de buffering van het systeem. Hier profiteert ook het Hilversums Kanaal van. Dit is een maatregel die bij NNN realisatie Kortenhoef Oost uitgewerkt wordt. Provincie Noord-Holland 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Dit waterlichaam is opgesplitst omdat ze eigenlijk bestaan uit meer systemen. Deze deelgebieden functioneren anders en hebben vaak verschillende watertypen. Om de huidige toestand en de verbetering of achteruitgang hierin te zien zijn nu kunstgrepen nodig (analyse en toetsing), die tijd kosten en om uitleg vragen. De inspanning qua monitoring hoeft niet gewijzigd te worden, in ieder geval niet voor wat betreft de verplichte monitoring. De inspanning voor de wat betreft maatregelen wordt ook niet anders. De richtlijn stelt: “Oppervlaktewateren kleiner dan 50 ha worden in principe niet als waterlichaam aangewezen, tenzij het waterlichaam onderdeel uitmaakt van waterafhankelijke beschermde gebieden, of onderdeel uitmaakt van het specifieke gebiedsgerichte beleid (een reden om gebieden van verschillende terreinbeheerders niet samen te voegen).” En “ Kleine wateren met een aantoonbare ecologische betekenis, hetzij van belang voor omliggende waterlichamen, hetzij van belang als onderdeel van beschermde gebieden, zouden wel als aparte waterlichamen moet worden onderkend.” De Kortenhoefse plassen liggen in een Natura2000 gebied met aantoonbare ecologische betekenis.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.